Panafwaaiwaarschuwer

Als ik de dag na de storm op mijn atelier aankom ga ik gelijk even kijken. Via het platje inspecteer ik het dak aan de achterzijde, en ja hoor: panafwaai. Zeven stuks dit keer, maar liefst. Zonder aarzeling bel ik de beheerder van ons pand, waarbij ik enige urgentie in mijn stem probeer te leggen. De telefoniste belooft er een spoedje van te maken. Beter sturen ze gauw een mannetje. Want dat moet je niet hebben hoor, panafwaai. Als het aansluitend gaat regenen heb je zo allerlei lekkage en rotterij.

Later die middag kijk ik door mijn pittoreske maar tochtige enkelglas naar de gezellig op elkaar gebouwde huisjes aan de overkant. En constateer panafwaai op het dak van het tegenover gelegen woonhuis. Niks spectaculairs, moet ik erbij melden. Een enkele pan, aan de onderrand van het dak, is een centimeter of 15 naar beneden gezakt en rust nu loom op de dakgoot. Een bijna vrolijk gezicht eigenlijk, maar ja, stel dat ie zo een jaar lang onteruggelegd blijft liggen, en de bewoners zien langzaam maar zeker een nare vochtplek op het behang verschijnen, en ze zetten na lang zoeken uiteindelijk een lange ladder tegen de gevel en bemerken dat de dader panafwaai heet, zouden ze niet liever gehad hebben dat ik ze op tijd gewaarschuwd had? Nou dan. Ik besluit ze na mijn werkdag op de hoogte te stellen. Want wat is er mooier dan de hulp van een meedenkende en doortastende vreemdeling? Ik baad mij al bij voorbaat in hun dankbaarheid. Wat attent zeg, meneer de kunstenaar, dat u de moeite neemt om ons te wijzen op panafwaai. Had u misschien iets te drinken of een fijne sigaar gewenst? Nou, dat is buitengewoon vriendelijk, maar ik moet helaas naar huis nu, het avondeten wacht erop door mij bereid te worden, ziet u.

Na vijven kijk ik nogmaals uit het raam en de pan ligt nog steeds waar die lag. Ik draai de verwarming uit, grijp telefoon, tas en pet en daal de oude trap af naar beneden.
Er brandt zacht licht achter het raampje in de voordeur. Mooi zo. Naast die voordeur hangt een fraaie koperen deurbel, en die druk ik verwachtingsvol in.
“Wie is daar?”, klinkt na enige tijd een baardloos stemmetje, met de enigszins bekakte R zoals die in deze regio veel te vinden is. Twee handen duwen de antitochtborsteltjes van de brievenbus uiteen en een kinderoog kijkt me aan.
“Eh, de buurman!”, antwoord ik, “Jullie hebben panafwaai!” (Dat laatste zeg ik niet zo. Het woord is helaas nog niet overal ingeburgerd, de gangbare manier van zeggen is: Er is een dakpan van jullie dak gewaaid)
“Mijn ouders zijn er niet”, meldt het kind. “ik ben alleen thuis!”
Ik herhaal mijn statement, in iets andere bewoordingen.
Aarzelend gaat de voordeur open. Ik sta tegenover een jongen die ik in de bovenbouw van het basisonderwijs schat.
Hij ziet een man met een donkerrode pet, zwarte jas, zwarte broek en zwarte schoenen, een zwart oortje bungelend op zijn borst. Die aanbelt bij een jongetje dat alleen thuis is, met een vaag verhaal over een dakpan. Ik wijs omhoog naar mijn raam. “Ik heb daar een atelier”, vervolg ik uitleggerig, “en ik keek uit het raam en toen zag ik dat er bij jullie een dakpan is afgewaaid. Misschien kun je het zometeen aan je ouders vertellen.” De jongen huivert in de door mij meegebrachte koude wind. “Zie het als een tip”, voeg ik er nog aan toe, en weet verder niks meer te zeggen. “Oké”, antwoordt hij eenvoudig en sluit langzaam de deur. Zijn blik is nog net zo wantrouwig als in het begin.

Ik loop naar mijn fiets, die ik aan het hek rondom ons pand, tegenover zijn huis, heb vastgemaakt. Kouwe harde rotwind. Ik weet wat die betekent. Een zeer hoge kans op petafwaai. Zo de gracht in of de rijbaan op, waar een auto er best even overheen wil rijden.
Ooit moest ik op een drukke rotonde als een haas naar mij pet grabbelen voordat het aanstormende verkeer me te grazen kon nemen. Stond ik met trillende benen uit te hijgen, bleek ik geamuseerd publiek te hebben die de hele situatie had gevolgd. Nee, dat moet je niet hebben, petafwaai. Gelukkig heb ik een fijne zwarte muts bij me. Mutsafwaai is geen woord, en dat is niet voor niets.
Het door panafwaai getroffen huis kijkt uit op het hek. Ik stel mij voor dat de jongen mij van achter het raam argwanend gadeslaat, die rare snuiter die zonet aanbelde. De muts heb ik in mijn rugzak gedaan, meen ik mij te herinneren. Voorste vak open, grabbelen. Geen muts. Middelste vak open, idem. Achterste vak ook niet. Kan niet. Nog een keer kijken. De jongen ziet nu een grabbelende man. Nog een keer. Voorste vak, nee, middelste vak, nee, achterste vak, nee. Heb ik hem toch boven laten liggen? Moet ik echt weer naar boven stommelen, drie sloten verderop? Ik tast maar es in mijn jaszakken. Daar is de muts. Goed, pet af, oeh koud, snel muts op. In mijn rug de starende ogen van de jongen, inmiddels aan de telefoon met een van zijn ouders. “Hij zit nu in zijn rugzak te grabbelen, alsof hij naar iets zoekt. Het duurt best lang. Hij kijkt nog een keer. Nu in zijn zakken. Hij haalt iets zwarts tevoorschijn. Het is een muts. Hij zet zijn pet af. Hij is licht kalend. Hij doet de muts op. Ik denk dat dat een vermomming is. Wat? Ja, ik film alles.”
Eindelijk ben ik klaar met de reeks muts op hoofd, pet in tas, tas dicht, tas op bagagedrager, oordopjes in oren, handschoenen aan. Slingerend tegen de wind in fietsend grijp ik naar de rand van mijn pet, die voelt alsof ie recht gezet moet worden. Mijn duim en wijsvinger toucheren elkaar in een okidoki-gebaar. Klepafwaai?!, suggereert mijn brein. Geenszins, ik draag een muts immers. En mutsafwaai is gelukkig geen woord.

Het is een vreemdeling zeker

Het is op een haartje na kerstavond en ik, ik loop naar huis. Links van mij de met kerstlampjes verlichte villaatjes en rechts de rivier. Er is voorspelbaar weinig volk op de been, op een enkele fietser en een verdwaalde jogger na.
De hele dag al is het regenachtig. Daar boven draait iemand nerveus aan de knoppen, ik heb onderweg al een paar keer mijn paraplu open- en weer dichtgeklapt. Thans is ie dicht want droog.

    Een jongeman duikt op uit het donker, roept me iets toe en stapt van zijn fiets.
Ik schat hem snel in en denk hem te kunnen hebben.
Geen grote gast, beige bubbeljas, capuchon, donker haar, stoppelbaard.
Wat wil de vreemdeling? Zou hij op zoek zijn naar een herberg, deze avond?
Ik trek de dopjes uit mijn oren, hij doet hetzelfde met die van hem.
Of ik een coffeeshop weet hier, is de vraag. Of eigenlijk: “Eh, coffeeshop?”.
Ah ja, de coffeeshop, trots der Nederlandsche beschaving.
Ik vraag hem of hij Nederlands of Engels blieft.
Engels graag, hij is namelijk Italiaan.
Ik denk haastig na, hoewel zelf geen klant weet ik wel een paar coffeeshops te zitten in het centrum.
De correcte routebeschrijving zou ongeveer zo klinken:
Je rijdt rechtdoor langs de rivier. Dan kom je bij een soort splitsing, je slaat linksaf naar het fietspad dat onder de autoweg door loopt. Als je onder die weg door bent sla je linksaf, zodat je de rivier blijft volgen. Die maakt een paar bochten, gewoon immer gerade aus tot je bij een stoplicht komt. Weg oversteken en rechtdoor blijven gaan. Kom je weer bij een stoplicht, let op, hier sla je linksaf. De eerste echte winkelstraat rechts moet je hebben. Die rijd je door net zolang je aan je rechterhand coffeeshop High Times ziet verschijnen.
En dan ook nog in het Engels hè.
Ik besluit het mezelf makkelijker te maken, en hem wellicht ook.
Ik zeg: Je moet gewoon rechtdoor blijven rijden, tot je a big church ziet verschijnen. Daarmee bedoel ik de Baaf, maar dat is voor hem niet relevant. Rij daar gewoon op af en vraag op the square aldaar nog een keer de weg, je bent dan sowieso in de buurt.
Hij lijkt het niet helemaal te begrijpen, de coffeeshop is toch niet in de kerk. Nee, zeg ik maar alle coffeeshops zijn in the centre, en dat is die kant op. When you’re at the church you’re very close.
Close? informeert hij, dit voor hem blijkbaar exotische woord in de mond proevend.
Well yeah, probeer ik het anders te formuleren, near by. Voor zover mijn paraplu het toelaat mime ik 2 objecten die dicht bij elkaar liggen.
Hij wijst naar de bebouwing verderop aan de overkant van de rivier. Is that the centre?
Nee, het is nog wel effe een stukkie verder ben ik bang.
En dan nog een vraag: Is er hier ook een red light district?
Er volgt een drukke toelichting, hij verblijft met zijn neven in Amsterdam, maar nu zijn ze hier en ze willen graag gewoon even kijken, verder niks.
Whatever you do is fine with me, opper ik ruimdenkend.
Een red light district. Dat belooft misschien te veel maar er zijn hier wel 1 à 2 straatjes waar wat rode lampen aan de gevels hangen.
De red light district is ook in the centre, leg ik uit. Ook vlakbij de big church. Gewoon daar nog een keer informeren, dat is het makkelijkst. Hij lijkt nog meer te willen vragen maar dan begint het ronduit te hozen. Ik klap snel mijn paraplu weer uit en neem afscheid met enjoy your stay, and good luck with the weather, wat ik gelijk na het uitspreken al een domme zin vind. Hij steekt nog een hand op en rijdt dan slingerend in de richting van the centre.

    Terwijl de dikke druppels tegen mijn kuiten kletsen denk ik na over de inmiddels zeker weten kletsnatte Italiaan. Gluurt hij straks door rode ogen naar de rode ramen in de regen? En is dat niet een beetje sneu? Niet sneuer dan ik zelf, concludeer ik. In de verte staan de stoplichten op rood en wacht mijn koude huiskamer. Er ligt een lekker toetje in de koelkast.

een zooi stenen aan het Spaarne, met 2 schoenen ter rechterzijde

De visser en zijn vrouw

Lunchtijd! meldt mijn maag en mijn horloge bevestigt dat. Nou, daar staat een bank. De bank is van beton, is lang, en verder niks. Verderop heb je nog twee zulke. Precies tussen mijn benen heeft Lil Lou 12 met witte stift zijn naam geschreven. Vòòr me ligt een strook potige klinkers; de kade. Een hardstenen rand markeert de grens met het Spaarne. Aan de andere oever ligt een industrieterrein oninteressant te wezen, niet eens van lelijkheid mooi. Daar weer achter prikken vliegtuigen, net als bij mij thuis van rechts opkomend, schuin omhoog het blauw in. Ik haal een paar boterhammen uit mijn rugzak en begin te kauwen.

    Zij zou zomaar van mijn leeftijd kunnen zijn. Ze draagt haar blonde haar in een staart boven een dun shirt met een in de bries fladderend capuchonnetje. Op de strook vel tussen haar halfhoge laarsjes en de opgestroopte broek zijn grote moedervlekken zichtbaar. Ze heeft een hengel in haar hand, buiten mijn gezichtsveld zal een dobber dobberen. Het is duidelijk zìjn hengel. Hij hanteert zelfverzekerd een identiek exemplaar en legt er flinke afstanden mee af, langs het water de kade op en neer benend. Een korte, langharige gestalte, in zwarte polo, zwarte broek met handige extra zakken, op zwarte sportschoenen, duidelijk in zijn element. Af en toe kruisen de twee elkaar en worden wat woorden gewisseld. Over vissen, wat ik er van kan opvangen.

    Dan kromt zijn hengeltje zich. Hij grijpt trefzeker achter zich in zijn schoudertas en haalt een uitvouwbaar schepnetje tevoorschijn. Na meer heen- en weer gebanjer en lijnmanipulaties via het molentje wordt er een forse vis vanachter de kademuur tevoorschijn getrokken. Een paar passanten blijven staan en kijken mee. Zij bedient inmiddels het schepnet zodat hij met twee handen de vis erin kan manoeuvreren. Wow, roept de vrouw.

    Het beest ligt in het schepnet op de kant en verroert geen vin. Apart, vind ik. Dode vissen bijten toch niet? En zo snel zal ie toch niet buiten adem zijn? ‘Zeg je wat ik doen moet?’ vraagt de vrouw. Ze knielen bij hun vangst neer. De man houdt hem met twee handen in bedwang terwijl de vrouw in zijn schoudertas rommelt en er op zijn aanwijzingen een tangetje uitvist. ‘Deze?’ vraagt ze. Die is het. Dan begint de vis alsnog vervaarlijk met de staart te zwiepen.

    Dat de rug van de man het gewroet in de vissebek voor me verborgen houdt vind ik prima. Hij is de tandarts (Dit kan even gemeen pijn doen, meneer Snoek), zij zijn assistente. Eindelijk zijn vis en haak van elkaar gescheiden. De man gaat plat op zijn buik op de kade liggen. Voorzichtig, schijnbaar teder brengt hij de vis terug in het water waaruit hij die zonet aan zijn bek uit heeft gehengeld.
Geen reden voor een pauze dit, er wordt gelijk verder gevist. Even later lijkt het erop dat de vrouw ook beet heeft, haar lijn staat strak. Haar haakje zit vast aan iets anders dan een vis. Hij komt het in orde maken.

    Een kinderkreet klinkt vanaf het fietspad achter me. De man steekt zijn hand hoog op.
‘Hoorde je dat? Ik hoorde ineens “Papa!” Dat was Eelke.’ De vrouw lijkt niet te reageren. Ik denk niet dat Eelke haar zoon is.

    Ik stel me zo voor dat de vrouw vandaag voor het eerst met haar nieuwe vriend mee is om gemeenschappelijk zijn hobby te beoefenen. Dat ze zich heeft voorgenomen het echt een kans te geven, wie weet is het wel leuker dan ze denkt. Ze zijn per slot van rekening lekker samen buiten, aan het water. Ze gaat zich niet laten kennen. Maar zouden alle zaterdagmiddagen er voortaan zo uitzien? Of zou hij ook wel es met haar mee willen? Naar een gezellige workshop, of een romantische komedie. Zo verbind ik op goed geluk de puntjes.

    Mijn liefhebberij zou het niet zijn. Maar hoeveel uren heb ik doorgebracht, in stoffige hallen vol welvaartsresten, met wijs-en middelvinger klepperend tussen treurigstemmende cd’tjes, op zoek naar dat ene onbekende meesterwerkje? Nou dan.

    Een visser en zijn vrouw. Ze hebben een vis gevangen, en daarna teruggegooid. Ik at brood en sloeg het gade. En liet het gaan.

Mambo horloge

Uitgetikt

Natùùrlijk weet ik nog precies waar en wanneer ik je voor het eerst zag! Aan het uiteinde van de jaren negentig in een modieus winkeltje in het oude centrum van Den Haag. Er werd drum ’n bass gedraaid en ze verkochten hippe klamotten. Ik had er alleen oog voor jou en besloot je mee naar huis te nemen.

    Mambo, heette je. Een bijzondere naam, vond ik. Je kwam uit de surfwereld, maar je oogde serieus. Het mooiste aan je vond ik je glimmende hemelsblauwe wijzerplaat. Jij was mijn eerste serieuze horloge, dat mag je best weten. Vòòr jou was er een serie digitaaltjes. Dat was geen klokkijken, maar cijfertjes lezen. Die dingen hadden allemaal een stopwatch en je kon er een alarm op instellen. Jij was no nonsense. Niet eens een cijferaanduiding had je. Een grote, een kleine en een secondenwijzer, meer had jij niet nodig. Goedkoop was je niet, maar ik had net vijf maanden stage gelopen en wat geld te verspijkeren. Met jou zou er een nieuw tijdperk gaan beginnen.

    Je werd mijn trouwe metgezel. Ik keek vaak naar je. Ongeduldig, of vol verwachting heel vaak achter elkaar. Op van de zenuwen, soms. En in het begin nog wel es met een nevelig hoofd vol drank. Alweer te laat, was het dan vaak.
Je was het eerste wat ik aan-, en het laatste wat ik afdeed. Huizen, vrienden, vrouwen, kleding en brillen verdwenen een voor een uit mijn leven, maar jij, jij bleef.

    Het fysieke was tussen ons niet zo belangrijk. Twee keer per jaar mocht ik aan je knopje draaien, een uur vooruit, of een uur terug. Dat was binnen een minuut bekeken. Nee, bij ons ging het om het diepere, de innerlijke beleving. Het gevoel dat je me gaf als ik je met je fijne vouwsluiting om mijn pols klikte. Het mooist vond ik je in het donker. Dan gloeiden je wijzers magisch op. En ik vond het fijn om naar je te luisteren. Dan drukte ik je zachtjes tegen mijn oor.

    De eerste keer dat je stilviel was wel even schrikken. Maar met een nieuw batterijtje in je buik zou je weer moeiteloos een paar jaar mee gaan.
Je zou niet langer waterdicht zijn, waarschuwde de juwelier. Dat vond ik niet erg. Ik ging toch bijna nooit zwemmen, en wanneer ik dat wel deed dan verstopte ik je wel in één van mijn schoenen.

    Als ik een uur hardgelopen had liet je een antraciet spoor op mijn pols achter. Ik vond dat wel wat hebben. Zo kon je zien dat ik goed gezweet had. Maar het bleek een sluipend gevaar, Mambo. De laatste keer dat je een nieuwe batterij kreeg beweerde de dame in de winkel dat je “geoxideerd” was. En dat als het naar binnen zou slaan het afgelopen met je zou zijn. Mijn schuld. Mijn zweet had jou aangetast. Had ik je wel mee moeten nemen als ik ging rennen? Ik had toch ook bij thuiskomst kunnen kijken hoe lang ik ongeveer had gelopen. Was ik voor een marathon aan het trainen dan? Nee toch. Maar jouw oxidatie was voor mij geen bezwaar. Het zou wel meevallen. En als je om mijn pols zat zag niemand er wat van.

    Twee jaar geleden verloor je bandje een passantje. Je schoof zomaar van mijn pols in het natte gras. Ik veegde je schoon en liet je repareren. We konden weer verder samen.
Een jaar geleden schoot je bandje aan één kant los. Ik bracht je naar een stoffige horlogemaker die je zonder veel enthousiasme bekeek en me vertelde dat je met een nieuwe schroefpen wel weer een poos mee zou kunnen.
Tot begin vorige week. Je viel weer ineens van mijn pols op de grond, op de harde straatstenen dit keer. Een van de haakjes waarmee je bandje aan je kast vastzat bleek afgebroken. Tegen beter weten in probeerde ik of je met een enkel haakje ook zou blijven zitten, maar als snel werd het duidelijk. Het was alsof ik je ineens met nieuwe ogen bekeek. Je gebutste kast. Het roest. De krassen op je glas. En ook jij voelde toen volgens mij ook dondersgoed aan hoe laat het was.

    Ik heb nu een ander, Mambo. Ja, ik weet het, nu al. Ik wil je absoluut niet het gevoel geven dat je inwisselbaar bent. Maar ik ben iemand die gewoon niet zonder kan. Ik heb bussen en treinen te halen, moet op tijd zijn voor afspraken. En mijn telefoon als horloge gebruiken voelt goedkoop.

    Ik heb haar gevonden op internet. Dat vind ik zelf niet heel romantisch, maar zo kom je tegenwoordig nu eenmaal een horloge tegen dat bij je past. Ik zocht met opzet niet naar een lookalike. Dat zou jij ook niet gewild hebben denk ik. En zo trof ik Boccia. Ze komt helemaal uit Hong Kong. Ze heeft een rubberen band en een titanium kast. Zwart met oranje, in plaats van zilver met blauw. Forse witte cijfers. Of ze net zo mooi als jij is? Ze is anders. Ze heeft een datumvenster. En, hoe banaal dat ook mag klinken, ze was lekker goedkoop. Ik weet wat je denkt, maar ik moet daar nou eenmaal op letten.

    Als ik de tijd wil weten voelt het nog steeds wat onwennig. Ik verwacht telkens jou te zien en kijk dan in de wijzerplaat van een vreemde.
Laatst toetste ik je naam in een zoekmachine in, ik weet niet wat ik hoopte te vinden. Er worden nieuwe horloges met jouw naam verkocht, zag ik. Goedkoop ogende digitale dingetjes in mierzoete kleurtjes. Vrolijk bedoeld, maar ik word er niet warm of koud van.

    En nu loop ik door de stad met een ander aan mijn arm. En jij ligt daar in die rommeldoos, tussen andere artefacten uit mijn verleden waar ik nog geen afstand van kan doen. Daar lig je zachtjes te tikken, in het donker. Misschien nog een jaar, misschien wel langer. Maar ik zal niet meer naar je komen kijken om te zien hoe laat het is. Op zeker moment kom ik je weer tegen, op zoek naar iets anders. Dan zal ik naar je wijzers kijken en stilstaan bij wat er tussen ons was. Bedankt Mambo, bedankt voor de prachtige tijd.

een propje papier

Volgepropt

We hebben in Amsterdam afgesproken en het is er uitgesproken binnenweer. Ik opper een museum, Arendsoog wil graag de Hallen bezoeken. Hij fotografeert vaak industriëel erfgoed, en dit is daar een sterk staaltje van. Een voormalige tramremise met daarin bibliotheek, theater, bioscoop. Je schijnt er nog iets te kunnen eten ook. Zolang het maar overdekt is vind ik het wel prima.

    De naam dekt de lading: De Hallen bestaat inderdaad uit grote hallen. De hoofdattractie lijkt een lange hal met aan weerszijden rijen eetkraampjes. Daartussen een drankeiland, rijen schransbanken en afvalbakken. Research na bezoek leert mij dat het hier gaat om “the magnificent Foodhallen; a classy indoor food market lined with stalls of top-notch street food from some of Amsterdam’s most respected kitchens, as well as plentiful bars and seating areas and a swish grill restaurant”.

    Het is zondag, en regenachtig, en lunchtijd, en Amsterdam, dus is het absurd druk. Of ik ben het gewoon niet meer zo gewend, dat zou ook heel goed kunnen. Onder het metalen dak wordt de neus gevuld met een rijk boeket aan bakgeuren. Hier heerst een beetje de vibe van zo’n rij eetkraampjes op een festival. Maar dan zonder het festival, de vreterij is hier zelf de attractie. Everything is in English. Ik zou wel een broodje lusten. Je kunt hier sandwiches voor bijna 10 euro kopen.

    We besluiten iets te halen bij de dim sum kraam, ludiek Dim Sumthing genaamd. Ook hier staat een lange rij. Voor ons staat een man verkleed als hipster. Hij is midden twintig en draagt een oude mannensnor en -pet, maar ook een trainingsbroek. Hij heeft het soort bril op waar ik dertig jaar geleden mee geplaagd werd. The best thing to do, doceert hij ons, is to first get something to drink, it makes the wait more pleasurable, you see. Ter staving houdt hij zijn glas met daarin een obscuur biertje omhoog. Aha, how clever, antwoorden wij afwerend.

    We hebben in ieder geval royaal de tijd om te overdenken wat we zometeen eten willen. Ik laat mijn keuze vallen op iets enigszins betaalbaars. De bestelling mag in het Nederlands, en dat is mooi. Twee pork meat in white loaf, of iets van die strekking, wil ik. Arendsoog kiest iets vissigs. Een variatie op mijn naam wordt op een bonnetje geprint en we krijgen te horen dat de gemiddelde wachttijd ongeveer 12 minuten is. Kijk es aan.

    Even verderop is een bar. We werken ons er naartoe. Zouden wij hier een biertje kunnen bestellen? Nee, hier worden cocktails geserveerd. Maar even verderop doen ze aan bier. Allemaal moois en kleinschaligs en de hal blijkt ook een eigen bier te hebben dat naar de naam “de Gleuvenglijder” luistert. Okee, niet alles hier is in het Engels. Ik heb eigenlijk geen zin in bier en kies een “herbal drink”. Arendsoog neemt een witbier. Zijn sokken soppen in zijn schoenen, de stiksels bleken niet langer waterdicht.

    Wat een boel mensen. Veelal jong, hip en happening en uit allerlei hoeken van de wereld. We wringen ons door de massa succesverhalen terug naar de dim sum kraam. Het is nu zaak om binnen gehoorsafstand te blijven zodat we kunnen horen wanneer onze namen worden omgeroepen. Ik probeer me zo te positioneren dat ik niet in de weg sta, en faal. Het is hier warm en ik kan mijn jas niet kwijt en ik begin flink trek te krijgen. Jachtigheid overvalt me. Er zijn maar een beperkt aantal reddingsboten op dit zinkende schip en de zee is diep, donker en groot.
Number 57, Simon!! klinkt het. Dat ben ik waarschijnlijk. Ik manoevreer naar voren en ruil mijn bon in voor een gevlochten mandje ter grootte van een 45 toeren plaatje. Arendsoog’s eten is ook klaar.

    Ik zie een leeg plekje aan zo’n veredelde picknicktafel en wil aanschuiven. ‘Pardon me sir, but there are six of us here.’ meldt een dame uit het drietal dat de bank nu bemant. ‘No problem, it’s all one big party here, right’? flauwekul ik terug. De dame herkent mijn Nederlandse tongval en zegt ‘Ja joh, alles is ook in het Engels hier hè, ik dacht…’ Het is oké. Alles is oké.

    Daar loop ik in mijn warme natte winterjas, met in mijn ene hand een herbal drink en in de andere een mandje met daarop twee witte bolletjes en een plastic kuipje met verdunde ketjap. Zonder drankje zou ik het desnoods staand naar binnen kunnen werken, maar dat gaat dus niet. Nergens is plek. De afvalbakken hier zijn met houtfineer beplakte rechthoeken met een fijn groot oppervlak boven de gooigleuven. Mensen zetten er hun bestelling op en eten die staand op. Wil ik niet. Langzaam naderen we de uitgang maar dan komt er toch onverwachts een plekje vrij. Er zijn kapers op de kust maar wij storten ons op de lege plek als meeuwen op een stuk oud brood. De schraag waar ik op zit wiebelt heen en weer. Voorzichtig schuiven we de door onze voorgangers achtergelaten etensresten aan de kant. Niet te ver, vlak naast ons wordt er immers ook getjapt.

    Haastig begin ik te eten, ik wil weg hier. Het smaakt een beetje. Het smaakt een beetje zoals zo’n bapao uit de supermarkt, alleen is deze minder lekker. En kleiner. En uiteraard veel duurder. Een bleek bolletje met binnenin wat bruine drab. Een paar happen slap deeg. Alleen aan de onderzijde is ie nog verdomd stevig, alsof ie daar te hard gebakken is. Ik laat me niet kennen en kauw me er manmoedig doorheen.
Als ik aan het tweede bolletje wil beginnen bemerk ik dat daar een papiertje onder zit. Onder de eerste zat er natuurlijk ook zo een, alleen die had zich lafhartig verstopt. Ik voel me ineens niet helemaal lekker. Ik pulk het papiertje vanonder het bolletje, knijp het tot een propje en laat het in mijn jaszak verdwijnen. Mocht ik zometeen schuimbekkend in een kring van hipsters liggen dan zal ik deze tevoorschijn halen en met mijn afnemende krachten fluisteren: I just ate one of these. Take me to a hospital, please!
Arendsoog schuift me als troost een van zijn vier gefrituurde vishapjes toe. Ik bedank hem vriendelijk. Ik zit vol.

ongebaande paden

Ongebaande paden

Ik fiets wat rond tussen stad en zee, dit is geen dag voor binnenskamers. De weg naar Zandvoort staat van voor tot achter vol met langzaam rijdend blik op weg naar het strand. Ook op de fietspaden wordt massaal van het mooie weer geprofiteerd. Mijn hoofd staat naar rust dus ik besluit het verborgen landgoed weer te bezoeken.

    Vorig jaar stonden er hier op een dag als deze vier auto’s en een handvol fietsen. Tijden kon je er op een bankje zitten voordat er iemand passeerde. Een onhoudbare zaak natuurlijk. Het landgoed is inmiddels online in het zonnetje gezet in de categorie “Heerlijk rustige plekjes in de Randstad” dus de parkeerplaats staat vol en de fietsrekken ook. Omdat het blad nog niet aan de bomen zit kan ik de talloze wandelaars al uit de verte zien aankomen. Behalve mijzelf slechts stelletjes en gezinnen. Wanneer ik ze passeer observeer ik de grond voor mijn voeten, ik wil even niet geconfronteerd worden met hun gezamelijkheid. Verbeten been ik door naar de plek waarvan ik verwacht dat die nog wel rustig is.

    Over de ingang van het pad ligt een beuk languit, die houdt de meeste potentiële wandelaars wel tegen. Een konijnenpaadje voert erlangs, en dat neem ik. Even verderop vind ik een appetijtelijk lapje zand bovenop een duintje in de zon. Ik spreid mijn jas uit, vouw mijn rugzak achter mijn hoofd en ontspan. Uit vertes rondom me weerklinken hier en daar kinderkreten, met af en toe die van hun ouders er tussendoor. Maar hier passeert niks en niemand.
Ik kijk opzij en besef dat de den naast me een prima klimboom zou kunnen zijn. Ik maak er een foto van en app die naar haar. “Prima klimboom, zo op het oog” zet ik eronder, want ze klimt graag. “Leef jezelf uit” komt even later terug. Ik stop mijn telefoon in mijn kontzak en klim tot ongeveer halverwege de boom. Vroeger ging dat makkelijker. Voorzichtig balancerend maak ik een foto van het uitzicht, die ik, eenmaal beneden, naar haar stuur. Zodat ze zal denken dat ik alsnog best stoer ben.
Daarna ga ik rustig zitten, kijk om me heen en denk na over waar ik over nadenk.

    In de verte voor me hoor ik stemmen die van dichterbij lijken te komen. Ik kijk tussen de stammen door en zie inderdaad, voor het eerst sinds zeker een halfuur, een paar mensen mijn kant op komen.
Vrouw, man en kind. De man duwt het kind in een buggy voort. Best ambitieus nog, met een buggy over dit soort paadjes. Als ze verder lopen zullen ze aan het eind van dit pad bij een gedeelte komen dat meters- en meterslang door boomstammen en -stammetjes bedekt is.

    Moet ik ze waarschuwen? Wat zal ik dan zeggen? ‘Gegroet gezin, een waarschuwing lijkt mij hier wel op zijn plek. Uit eigen ervaring weet ik namelijk dat het door jullie gekozen pad een stuk verderop vrijwel onbegaanbaar is, zeker met een buggy. Daarom dunkt het mij verstandiger nu rechtsomkeert te maken en, net als iedereen, een van de routes te kiezen zoals die hier door middel van rode, groene en blauwe pijlen zijn aangegeven.’
Ik krijg inmiddels een betere indruk van de leeftijd van het kind. Een meisje van een jaar of twee, schat ik. Kind uit de buggy, bij Papa op de arm. Mama sjouwt de buggy. En toe maar, hink stap over de stammen. Zou kunnen, toch.

    Hallo, roept de vrouw me lachend toe. Haar lange zwarte haren vallen over een lange zwarte jas. Hallo, antwoord ik terug. Ik zie mezelf even liggen, een man van middelbare leeftijd, languit bovenop een duintje in een verlaten uithoek van een landgoed. Haar man houdt de kaken op elkaar. Zijn blik is nors onder het gemillimeterde haar, en hij duwt de buggy grimmig voort. Hotseknotsend over takjes, boomwortels en dennenappels. ‘Waar breng je ons nou helemaal heen, joh?’ vraagt ze quasi speels. De vraag lijkt bedoeld als een verontschuldiging naar mij. Hij gooit een eenlettergrepige grom. Hij heeft dit pad gekozen, en hij zal het uitlopen ook, verdomme. Ik besluit er het zwijgen toe te doen. Langzaam zie ik ze tussen de bomen ter rechterzijde van mij verdwijnen.

    Zie ik ze nog terug? Het lijkt er lange tijd niet op, maar dan hoor ik ze bekvechtend weer mijn kant op komen. Ik besluit achterover te gaan liggen, met mijn pet over mijn ogen. Ik acteer een soort dutje. Dat scheelt ons weer een ongemakkelijke confrontatie. Ze onderbreken hun twistgesprek wanneer ze langs me lopen. Als ze voorbij zijn hef ik mijn hoofd op en kijk ze na. De vrouw kijkt op dat moment om naar mij. Het kind huilt.

    Ik ben ze, zeker een kwartier later, alweer bijna vergeten als ik opnieuw gehuil hoor. Ze zijn dit paadje blijkbaar andermaal ingelopen. Het meisje giert het nu uit en de vrouw schreeuwt de man gekweld toe. ‘We lopen helemaal verkeerd man!’ hoor ik. En ‘…mijn tanden uit mijn bek!’ De rest van haar zin kan ik niet verstaan. Ze haalt het kind uit de buggy en maakt driftig rechtsomkeert. Hij loopt haar met de lege buggy achterna. Als je een beetje aandachtig kijkt kun je mensen nog lang met je blik volgen, zo tussen het schrale geboomte.

    Ik besluit maar eens een ander plekje te kiezen, de zon heeft zich inmiddels van me afgedraaid. Als ik het zand van mijn jas klop zie ik dat er nog een haar van mijn dochtertje op zit. Ik onderdruk de neiging die te willen bewaren en laat hem zachtjes in het zand dwarrelen.