Vlak ervoor leek alles nog volledig in orde, die herfstige vrijdagochtend aan het einde van de jaren negentig. Ergens bovenin het jaren tachtig academiegebouw zaten we met zijn achttienen in een assymetrisch gevormd lokaaltje. Schilderachtig licht kroop door de hoge ramen. Dat kwam mooi uit. Mijn klasgenoten en ik zaten achter schildersezels geschaard rondom een naakte vrouw van middelbare leeftijd die zich, gedrapeerd over een afgetrapte divan, met haar rugzijde naar ons toe had gedraaid. De bouw van haar romp was door de docente van dienst lovend met die een cello vergeleken, een gegeven waar ik op dat moment nog geen oog voor had. De dame werd warm gehouden door een electrisch kacheltje. De bedoeling was om haar royale curves in acrylverf te vangen, vandaar ook die kwast in mijn rechterhand. In mijn linker hield ik nonchalant een slordige halfzware, die ik van tijd tot tijd aste in een leeg jampotje. Ik voelde me licht beneveld. Het was nog maar een paar uur geleden dat mijn hoofd eindelijk het kussen geraakt had en mijn lichaam was druk bezig de resterende alcohol uit mijn systeem te verwijderen. Met een brein vol waterige gedachten probeerde ik wat dieptewerking te scheppen in de vlezige gestalte die op het met schilderstape vastgezette papier voor me aan het verschijnen was.
‘Hee Symen!” klonk het achter me. Verwachtingsvol draaide ik me om. Het was die knappe provinciegenote met de spottende ogen. “Wat heb jij daar nou ineens zitten joh?’ informeerde ze brutaal, met die schelle stem van d’r. ‘Daar, boven je nek!’ gebaarde ze met haar penseel. Ondanks de overtuiging voor de gek gehouden te worden bevoelde ik snel de betreffende plek en, verdomd als het niet waar was, ik voelde daadwerkelijk zachte haartjes. Rondom begonnen mijn medestudenten naar me te wijzen en zachtjes te lachen. Ik voelde hoe het bloed naar mijn hoofd stroomde. ‘Wat is daar dan zo grappig? Mag ik meegenieten?’ kwam de docente informeren. ‘Mevrouw, Symen krijgt haar!’ klonk het gniffelend.
De Friezinne had gelijk, ik wèrd harig. Aanvankelijk leek het nog een beetje te overzien, het bleef beperkt tot een hoefijzervormig kransje op mijn achterhoofd. Ik kocht zo snel ik kon een tondeuse en schoor het om de dag zo kort als ik kon. Daarna nog een keer met het scheerapparaat er overheen. De resterende stoppelschaduw bleek hardnekkig maar kon ik aanvankelijk nog enigszins camoufleren met een hoge kraag of sjaal. Later probeerde ik een petje waar ik aan de achterkant in de breedte een forse rode zakdoek uit liet wapperen, een en ander in het kader van de rapcultuur. Maar dan kreeg je dat mensen de hele tijd die zakdoek wilden optillen om te kijken wat eronder zat.
Later kon je me dag in dag uit, ijskoud of snikheet, een capuchon over mijn hoofd zien dragen, al dan niet in combinatie met een muts of pet. Het maakte iedereen alleen maar nieuwsgieriger.
Waar een hoofdbedekking niet toegestaan was posteerde ik mezelf bij voorkeur met mijn rug richting muur. En waar ik me eerst nog gedachteloos omdraaide als ik iets moest pakken werd ik in korte tijd heel behendig in achterwaarts bewegen zonder ergens tegenaan te lopen of dingen om te stoten.
Ondertussen observeerde ik andere, behaarde, vaak oudere, mannen. Er waren er die hun lot manmoedig accepteerden en zich bijna voor lieten staan op hun situatie. Ze lieten hun haar gedachteloos groeien. Je zag ze hun haren met een theatraal gebaar achterover zwiepen, of ze haalden er haast wellustig hun hand doorheen, de dikte ervan daarmee bijna voelbaar makend. In zo’n geval kon ik wel es vragend om me heen kijken, maar anderen leken dit veelal het opmerken niet waard te vinden.
Wat ook hielp was dat ik regelmatig deels of geheel harige kerels zag met toch heus prachtige dames aan hun zijde. Kennelijk kon het dus wel. Deze vrouwen accepteerden blijkbaar dat de meeste mannen na verloop van tijd harig worden.
Bij vlagen had ik het er heel moeilijk mee. Dan stond ik vertwijfeld voor de spiegel en zag ik hoe het hoofdhaar nu ook al mijn slapen aan het bekruipen was en zelfs de bovenkant van mijn hoofd begon te bereiken. Het leek het begin van de totale neergang.
Ik werd op de hoogte gebracht van klinieken in Turkije, waar je het permanent kon laten verwijderen. Ze namen dan een fors stuk huid van je bovenbeen en verplaatsten dat naar je schedel. Een erg pijnlijke, maar vooral kostbare procedure, die niet door mijn zorgverzekering gedekt bleek.
En toen was het zomervakantie. Geschitterd op de eindexamenexpositie, diploma behaald en onder gejuich in ontvangst genomen. Alles viel van me af. Weken achtereen scheen de zon en er hoefde helemaal niks. En dus hoefde er ook niet geschoren te worden, besloot ik, aan de kade van een gracht, met een Duveltje in mijn hand. Ik zou voortaan de boel de boel laten, en groeien zou wat groeien wilde. Hoewel er iets bij was gekomen, viel er veel van me af.
Ik maakte lange fietstochten waarbij mijn langer wordende haren wapperden in de wind.
Ik bezocht een drogist en kocht er voor het eerst shampoo en conditioner.
Die kapsalon om de hoek waar ik al die jaren langs was gefietst en omheen gekeken had? Ik stapte er voor het eerst binnen. Daar zat ik, in een kappersstoel, met een papieren kraagje om en een zwarte doek waar alleen mijn schoenpunten onderuit staken. Ik zag mezelf zitten, onder de tl-buizen, en keek zonder blikken of blozen terug naar de man met het haar. Hoe of ik het hebben wou, wilde de kapper weten, zelf eigenaar van een dikke, grijze, golvende haardos. “Eigenlijk alleen weer een beetje in model”, hoorde ik mezelf achteloos zeggen. Of ik er gel in wilde? Jazeker wilde ik dat. Gel, wax, kokosolie, kon mij het schelen. Ik was een man met hoofdhaar, en iedereen mocht het weten.
In de verlenging van de tweede helft van de zomer ontmoette ik een vrouw op een festival in de stad. Mijn toekomstige echtgenote, zo bleek later. We raakten niet uitgepraat en daarna niet uitgezoend, en ze ging mee naar huis. De fietstocht door de donkere Hanzestad kon me niet lang genoeg duren, met haar achterop, en haar armen om me heen. Thuis stak ik strategisch wat kaarsen aan en legde een album van JJ Cale in de CD-la. Nog twee koude La Chouffes lagen er in de koelkast, en zij wilde ook. Na een kleine aarzeling ontstak ik het keukenlicht en draaide me extra langzaam om, om de flesjes te pakken. Dwong mezelf ze kalmpjes te openen en in te schenken, met mijn rug naar haar toe. Zo was ik doende, in het volle licht. Toen ik met de gevulde glazen op haar toe kwam, keek ze me nog steeds zo verwachtingsvol aan als daarvoor. Haar ogen glansden bijna net zo mooi als haar schedel.
Ze bleef slapen die nacht, en sindsdien zijn we samen.
Nu, na al die jaren, schijnt het me haast belachelijk toe hoe druk ik me ooit maakte om zo iets triviaals. Mij gaat het intussen al lang om diepere, hogere waarden. Je karakter, en je overtuigingen. Met mijn vrienden praat ik over spiritualiteit. Duurzaamheid. Positiviteit. Integriteit. Authenticiteit. Biodiversiteit. Genderdiversiteit. Inclusiviteit. Dat is waar ik tegenwoordig heel hard op ga.
Ook met mijn vrouw voer ik dagelijks meeslepende gesprekken. Over tennis, ouderdomskwaaltjes, de immer stijgende prijzen van de dingen, waar je de dingen alsnog goedkoop kunt krijgen, zij van de buren, de geplande vernietiging van de wereldorde zoals we die tot nu toe gekend hebben, en niet te vergeten: het weer. Wat kan mij het dan schelen dat haar rimpels langzamerhand verdwijnen. Dat doen die van mij immers ook.
Een concessie aan mijn ijdelheid heb ik uiteindelijk toch moeten doen. De laatste paar jaar constateerde ik tot mijn afgrijzen dat ik steeds meer blonde haren begon te krijgen. Nu al! Harig zijn? Prima, geen probleem, helemaal okee, geen punt. Maar blond?
Daarom gebruik ik tegenwoordig een kwalitatief uitstekende grijsspoeling.
Stevig aan de prijs, maar er zijn grenzen. Ook voor mij.