Vaainemiddôh

Spraakverbijstering

Veel langer dan een minuut ben ik niet in deze supermarkt. Bij de kassa leg ik een tonijnslaatje en twee Spelttwisters kaas op de band.
De kassier van dienst is een stuurse, met acne bedekte jongeling. Hij heeft ringetjes in beide oren en een kapsel waar ik te oud voor ben om het te begrijpen.

De Spelttwisters kaas, een impulsaankoop van heb ik jou daar, zijn samen in de bonus. Ik heb geen bonuskaart.
Eens stond ik in de rij in de Albert Heijn achter een dame. Toen de kassière haar vroeg of ze een bonuskaart had antwoordde ze achteloos: ‘Die heb ik nu niet bij me. Mag ik die van jou gebruiken?’ Dat bleek een acceptabel antwoord en sindsdien gebruik ik een variant hierop als ik in een AH ben.

‘Mag ik jouw bonuskaart gebruiken?’ vraag ik hem, terwijl hij mijn boodschapjes scant. Hij knikt voordat ik het tweede gedeelte van mijn zin heb afgemaakt. ‘want die zit namelijk in een andere jas’. Hij noemt het bedrag, ik pin en zie de tekst ‘akkoord’ op het display verschijnen. Nu gaat ie vragen of ik het bonnetje wil. Vaak zeg ik al behulpvol ‘Laat de bon maar zitten hoor’ maar dit keer ben ik nog doende met het in mijn tas frommelen van de lekkernijen. In plaats daarvan informeert hij, schijnbaar zonder veel interesse in mijn antwoord: ‘Vaainemiddôh?’

Mijn hoofd geeft een foutmelding. Dit is duidelijk niet vragen of ik een bon wil. Maar wat is het wel? Misschien kun je hier wel voor een pannenset sparen of is dit de naam van een aktie waar ik niet van weet. Zo vaak kom ik niet in de Albert Heijn. Ik kan zonder begrijpen ‘Nee, dankjewel’ antwoorden, maar dat vind ik onbeleefd.

‘Sorry, wat zei je?’
‘Vaainemiddôh?’, herhaalt hij, al een tikje ongeduldig.
Zo komen we niet verder. ‘Ik versta je echt niet!’ moet ik toegeven.
‘Vaainemiddôh!!’ herhaalt hij nogmaals ferm. Een gefrustreerde frons verschijnt op zijn geteisterde voorhoofd. Onze interactie duurt alweer veel te lang, zoveel is duidelijk.
Ik zoek de blik van de dame die achter mij wacht en maak een gebaar van snap jij het?
‘Fijne middag’ articuleert ze kraakhelder, op de toon die je gebruikt voor een wat achterop geraakt kind.
‘Jaaha’, bevestigt de kassier verontwaardigd. ‘Faine middog!’
Daar heb ik niet van terug.

‘Het eh, het komt door je accent denk ik’, wrijf ik de vlek nog wat groter. ‘Maar in dat geval: jij ook een hele fijne middôh!’

OV Kaart Verdekt Opgesteld

Tag een vriend

Kneu heeft me getagd. Er komt een reünie van de kunstacademie die ik ooit bezocht. Het belooft heel wat te worden, Sijsje komt er zelfs helemaal voor uit Berlijn. Ik stel me voor dat langnietgeziene mensen uit alle hoeken en gaten zullen opduiken.
Later gooit Kneu er nog een appje achteraan. Kom nou joh!
Tja. Meestal schitter ik door afwezigheid, laat mij nu es een keer ja zeggen. Icoontjes van slingers en ballonnen zijn mijn deel.

Op een mooie zomeravond, vier dagen later, zeg ik mijn gastvrouw en -heer van vannacht gedag. Met een stevige pasta in de maag en dub techno in de oordoppen fiets ik de buitenwijk uit. Het festijn is al om 4 begonnen, dus ik verwacht fashionably late aan te komen.

Kneu stuurt een berichtje dat zij en Sijsje iets zijn gaan eten in de stad maar er zo aan komen. Om nog wat tijd te rekken strijk ik neer op een stadsbankje en aanschouw het passerende verkeer. Ik zou hier nog uren kunnen blijven zitten maar dwing mezelf in beweging.

Vòòr het pand staat een tiental mensen waarvan ik er een paar herken als gezichten van toen. Geen bekenden. Naar binnen maar. De hal is leeg.

Ik betaal 5 euro, geef jas en hoody af en loop de ruimte binnen. Er hebben zich ongeveer 15 mensen verzameld. Op een verhoginkje draait een jongen jaren negentig hitjes. Aan touwen opgehangen foto’s sieren de wanden. Foto’s van het introductieweekend. Ik was er niet bij. Foto’s gemaakt in de academie, tijdens lessen en feesten. Ik sta er niet op. Hier binnen zijn ook geen vrienden of bekenden van toen.

Oh wacht, daar is Buizerd. Daar heb ik geloof ik wel es een biertje mee gedronken in de Spiegel. Hoi, zegt hij in het voorbijgaan. Hey, antwoord ik.
Dan maar iets te drinken gehaald. De bar blijkt onbemand.

Ik ben hier in ongeveer 3,5 uur naartoe gereisd.

Ongeduldig stuur ik een appje naar Kneu die belooft er snel aan te komen.
Ooit was dit een moment om een sjekkie te draaien. Nu ga ik op het lege podium zitten, en breng telefonisch verslag uit aan vriend Tureluur. Hij had geen zin om te komen en lijkt het gelijk aan zijn kant te gaan krijgen. Hij voelt mijn pijn. Daarna spreek ik Grutto, zijn vrouw, die hier had kunnen zijn maar ook de voorkeur gaf aan een avondje thuis. Tijdens het gesprek arriveren eindelijk Kneu en Sijsje.

Met Kneu heb ik nog steeds contact, maar Sijsje heb ik in geen jaren gezien. Ze lijkt oprecht blij me te zien en komt dicht tegen me aan zitten. Haar Nederlands is absurd goed voor iemand die het nooit meer spreekt. Of ze nog wel es tekent, vraag ik haar. Verkeerde vraag. Dat doet ze niet meer. De lol is er op de academie helemaal afgegaan en nooit meer teruggekomen. Het gezin vraagt aandacht, en het werk in de boekenbranche. Waarmee het trouwens niet zo florissant gaat. En het leven in Berlijn wordt duurder en duurder. Ze is getrouwd met de Duitse vriend die ze in haar academietijd al had. Wist ik niet eens. Eigenlijk had ze indertijd een Nederlands vriendje moeten hebben, voor de hele Holland experience, zegt ze.

Oud-docent Eend spreekt ons aan, net als toen met consumptie. De helft van de leerlingen komt tegenwoordig uit het buitenland, meldt hij, dus wordt er in het Engels onderwijs gegeven. Hij vertelt vol trots over een oud-leerling, die absurd succesvol in het buitenland is. Ik ken hem niet.

Het bier smaakt me niet. Het zal toch geen Oranjeboom wezen?

Eén van de organisatoren, die ik niet ken, houdt een soort van toespraak op het podium. Hij heeft het over een wij waar ik mij geen onderdeel van voel. ‘Eén van de mensen die natuurlijk een centrale rol speelde op onze academie, wie kent hem niet. We hebben hem uiteindelijk weten te traceren, en ja hoor, hij is hier vanavond, Zeemeeuw!!’
Jeuh, klinkt het lauwwarm uit de zaal. Ik klap zachtjes tussen de knokkels van mijn hand. Zeemeeuw beheerde de kantine. Nu heeft hij een grijze mat. Ik zal gesprekken als ‘Dat is dan één gulden vijfenzeventig’ ‘Alsjeblieft’ ‘Heb je niet kleiner’ ‘Nee’ met hem gevoerd moeten hebben.

Ik memoreer namen van mensen waarvan ik het leuk had gevonden als ze hier vanavond geweest waren. Kneu vindt me negatief. Ik kijk op mijn horloge.

Gaandeweg raakt de ruimte gevuld met mannen en vrouwen van middelbare leeftijd. Ik spreek Mus, een Duitse dame die ik in die tijd een beetje kende. Ze zingt thans in een koor. Laatst speelden ze samen met een koor uit mijn huidige woonplaats. Dat ken ik niet. Een vriend van haar van toen, die ik niet ken, komt haar een boekje geven. Hij heeft een nare ziekte gehad. Het boekje gaat over zijn nare jeugd.

Hee, daar is Valk. Zij lijkt ook blij mij te zien. We wisselen wat onbenulligheden uit. Dan moet ze bier halen voor haar vrienden, die ik niet ken.

Kneu en Sijsje gaan dansen. Ik niet, om te beginnen omdat ik de muziek niet leuk vind. Hard, staat die nu.

Ik zit alleen aan de bar. En zie iemand die lijkt op een graffitischrijver waar ik vroeger mee omging. Hoe zou het met hem gaan? Het is hem niet.

Kneu is nog steeds de enige klasgenoot die hier is.

Ik heb vier bier op en het doet niks voor me. Doordrinken totdat ik het leuk begin te vinden was vroeger.

De laatste keer hier was negentien jaar geleden. Er was een feest voor mensen die hadden meegewerkt aan activiteiten rond het 200-jarig bestaan van de academie. Daar was ik één van. Er was gratis drank, en tafels vol salades en stokbrood. Onder invloed van het eerste vond er in de loop van de nacht een food fight plaats met het tweede. Iemand had natuurlijk weer een dikke stift meegenomen en die werd gebruikt ook.

Na van een drietal mensen afscheid genomen te hebben ga ik mijn jas halen. Ik vergeet bijna mijn hoody en maak hier een grap over tegen de jongen van de garderobe. Is het mijn eerste van de avond? Het voelt zo.

Even later fiets ik door de binnenstad, en proef een verwachtingsvolle zomernacht. Op het Waagplein staat een podium. Een band beëindigt er net een lied. Misschien is het wat. Ik stuur richting podium en luister. De band zet een nummer in wat ik niet ken. Het is een kutnummer. Ik vervolg mijn weg, de eenzaamheid als een spuugbelletje om me heen.

Zodra ik de Parkweg achter me heb gelaten moet ik goed opletten waar ik naartoe moet. Ik ken het hier niet.

Uitgewaaid, ingeblikt (3)

De regen is ook vanochtend royaal voorhanden en klettert scheutig tegen de ruiten van de taxi. Achterin tuurt Mathilda stuurs naar het scherm van haar telefoon. Evert zit naast de chauffeur, een zwijgzame Pool die zijn bejaarde Benz vult met de rook van ongefilterde sigaretten en herkenbare hits. Zijn hoofd bonkt als een kapotte wasmachine en hij moet hard slikken om het naar boven kruipende kruidenbitter terug zijn slokdarm in te duwen. Een ander restant van gisteren: zijn meesterplan. In het daze daglicht is duidelijk dat dat met plakband en paperclips aan elkaar hangt, terwijl het hem afgelopen nacht nog waterdicht, ja, onverslaanbaar toescheen. Toch zal hij het uit gaan voeren al was het maar omdat het voelt als het enige wat hem nog rest. Hij bekijkt het strijdtoneel. Links de uitgestrekte polders, de meeste bebouwing ligt ter rechterzijde. Parallel daarachter weet hij, langs de duinrand, het zandpad met het fietspad ernaast. Dat wordt de terugweg. Grimmig constateert hij dat er veel staan, op de erven.
    Regenvlagen gieren over het plein aan de voet van de vuurtoren. Gebruikt verpakkingsmateriaal warrelt door winkelstraatjes waar ijlings koopwaar naar binnen wordt gehaald. Dezelfde winkels als overal. Hier kan Mathilda op jacht naar figuurverhullende gewaden. Thuis hangen haar garderobekasten er vol mee. Tijd voor de vraag. Van haar antwoord hangt veel, zo niet alles af. Hij besluit voor de gelegenheid een halfvergeten koosnaampje uit hun goede tijd af te stoffen. ‘Pareltje. Als wij nou eens ieder ons weegs gaan. Kun jij fijn de tijd nemen in de boetiekjes en ga ik ondertussen rustig naar, eh, mijn dingen kijken.’ Hij vindt haar te oud voor het trekken van een pruillip. Doordrukken nu. ‘Laten we over anderhalf uur weer bij elkaar komen in de Gekroonde Kabeljauw.’ Hij wijst naar een eeuwenoud ogende pand op de hoek van het plein. ‘Drinken we daar iets warms.’ Snel haalt hij twee voor dit moment bewaarde bankbiljetten uit zijn achterzak en laat ze in de wind wapperen. ‘Hier heb je een kleine bijdrage.’
Ze kijkt hem secondenlang doordringend aan, grijpt het geld en knijpt hem dan hard maar teder in de wang. ‘Malle man. Tot zo dan maar.’ Hij kijkt haar net zolang na tot ze uit beeld is verdwenen en slaat dan de omgekeerde richting in.

    ‘U zoekt een mes?
‘Jazeker, inderdaad.’
‘Waarvoor wenst u het te gebruiken?’
‘Eh, voor mijn zoon.’
‘Pardon?’
‘Mijn zoon. Die wil, wenst een mes voor zijn verjaardag.’
‘Kijk aan! Wat dacht u dan van het klassieke Zwitserse legerzakmes? Ik heb ze van 5 tot 35 gereedschappen. Deze hier heeft bijvoorbeeld zelfs een usb-stick.’
‘Ik dacht meer aan.. hij wil denk ik liever zoiets.’
‘Aha, de Dominator Power Cleaver. Dat is een flink mes. Kun je een ree mee uitbenen. En dan spreek ik uit ervaring.’
‘Die wil ik graag kopen. Voor mijn zoon.’
‘Hoe oud is uw zoon?’
‘Die is eh… Die is een jaar of 16.’
‘Een jaar of 16 zegt u, kijk aan. Punt is, deze Dominator heeft een dubbelzijdig lemmet van meer dan 10 centimeter. Véél meer, zelfs. Mag de jongeman niet mee over straat hè. Ik zou me als ik u was toch liever richten op het materiaal van de firma Victorinox.’

    Ziezo, het borreltje is welverdiend. Ruim op tijd zit hij klaar in de behaaglijke gelagkamer van de Kabeljauw. Alles wat hij nodig heeft in de pocket, in de tas onder tafel. Een donkerblauwe kapiteinspet met goudgestikt ankertje, een zak watten, karton, elastiekjes, een plakstift en een zonnebril. En natuurlijk het Zwitsers legerzakmes. Het is er uiteindelijk één geworden met 35 gereedschappen. Een smak geld voor een aanstaand werkzoekende maar na zijn tweede borreltje voelt hij vooral triomf en hij grijnst Mathilda dan ook breed toe als zij met twee handen vol tassen de gelagkamer binnenstapt.

Strand 2

Uitgewaaid, ingeblikt (2)

Om 3:17 wordt hij wakker met een gonzend hoofd vol woeste gedachten. Gewekt door een reutelend fluitje dat van ergens tussen Mathilda’s neusvleugels opstijgt. Mathilda, die haar hoofd op een kussen kan leggen en dan vertrokken is, nog hooguit wakker te krijgen door een krachtig onweer. Mathilda, die jaar op jaar in de zomervakantie een last minute reis boekt. De bestemming is zonder uitzondering: de zon, maakt niet uit waar die schijnt. Steevast een felle rotzon, die hem de messcherpe schaduw in dwingt. En ook al verschillen de landen die ze bezoeken, de resorts waar hij de veertien dagen vertier moet aftellen zijn allemaal hetzelfde. Op de plek van pittoreske vissersdorpjes neergesmeten Le Corbusier-achtige betonkolossen, een zwembad aan de voet, met uitzicht richting zee. Overdag is het baantjes trekken, bakken en braden. ’s Avonds felgekleurde drankjes en dansgelegenheid op hits van toen. En altijd zijn er Hollanders, hordes Hollanders. Mathilda is dan in no time zò met de vrouwen maar hij treft er tussen de mannen geen zielsverwant. Iemand die òòk interesse toont in de plaatselijke gebruiken. Of desnoods in het oplossen van cryptogrammen. Achter de rijen flats vermoedt hij onbedorven, op ontdekking wachtende binnenlanden, maar zij wil er niet van weten. En alleen erop af is eng.
Hij draait zich maar weer om, de natgezwete dekens draaien met hem mee.
    Als de rode cijfers van de wekkerradio 04:00 aangeven staat ie rillend op. Zijn koortsige kop vervloekend trekt hij een fles kruidenbitter uit de koelkast en laat zich in het zitmeubel in de woonkamer/keukencombi zakken. Op de bijzettafel staat Strandsmurf pontificaal opgesteld. Regen slaat lafjes tegen de ruiten en pitterpettert op het tinnen dak. De gordijnen zijn open maar geven niets te zien. Daar is ie dan. Op het eiland van zijn jeugd. Het eiland van kuilen graven, klompendansen en puzzeltochten. En van dat Brabantse meisje met haar pronte kont. Hij is er. De laptop thuisgelaten en de telefoon uitgezet. Maar het is helemaal mis. Nog maar een glas. Alles is nieuw nu, en slechter dan voorheen. Een romantiekloze overtocht met een spiksplinterse draadvleugelboot. Een grote gele M die boven het havenstadje hangt. Kolossale flats aan de rand daarvan, waar eerst de speeltuin was. Dan het park. In zijn kindsdagen verbleef het gezin hier in eenvoudige huisjes, volgens lokaal gebruik gebaksteend. Nu schurken ze tegen een honderdtal buren in een grid van kunststof recreatiecassettes. Booreiland. Windmolenpark.
Hij schenkt maar weer uit, onder andere in zijn glas. Wat zijn slapen doet kloppen en zijn kaken laat verstrakken zijn de zombies die het strand verstrepen. Het hele jaar volgen ze elkaar in eindeloze files, en hier, uitgerekend hier blijven ze ingeblikt en scheuren ze zijn rust aan stukken. Als hij zijn ogen sluit trekken de gevaartes in ellenlange rijen aan hem voorbij. Het is alsof er een contactje doorbrandt in zijn hoofd. Moedeloos brengt hij de fles naar zijn mond. Prik mij maar lek, riep ome Fedde in zo’n geval. Hij zegt het nu ook, hardop. De hand met de fles daalt, de andere komt omhoog en bedekt zijn mond. Daarachter verschijnt een scheef lachje.

Uitgewaaid, ingeblikt (1)

Haar bezwaar tegen deze onderneming heeft ze met krachtige slagen met de vlakke hand op het tafelblad kracht bijgezet. Niet! in de herfstvakantie. Niet! naar een Waddeneiland. En al helemaal niet!! zonder de wagen mee te nemen. De theelepeltjes rinkelden erbij in de kopjes.
    Toch zit ze deze oktoberochtend bij Evert achterop de huurtandem. Halfhartig meetrappend, een verbeten trek om de lippen, maar ze zit er. Dat heeft hem veel geduld en moeilijk waar te maken beloftes gekost, maar het moet, zal en gaat het waard zijn. Als om deze bewering te bevestigen snuift hij de koude zeelucht diep in en kijkt hij eens goed om zich heen. Hier reed hij vroeger, in het zitje voorop bij Moeder. Het bewust slecht onderhouden fietspad is nog steeds de enige manier waarop je toegang krijgt tot dit deel van het eiland. Lage begroeiing tot zover zijn oog reikt. De namen van de plaatselijke flora en fauna kent hij niet, hem gaat het meer om het geheel. Nou ja, die meeuwen haalt ie er nog wel uit. Hun gekrijs klinkt hem hier een stuk aangenamer in de oren dan thuis in de wijk. En dan die rust. Wat een rust. Daar is het hem om te doen. Uitwaaien.
    Of het nog ver is, haalt haar snerpige stem hem uit zijn overpeinzingen. Zeker niet, want kijk! daar is de houten paal met de verweerde rode vlag al. Daar houdt het pad op, en dan kun je zo door de duinen heen het strand op lopen.
‘We zijn ter plekke, Mathilda. En geen kip te bekennen!’ Hij maakt er een wijdse armzwaai bij maar onder de indruk is ze allerminst. Terwijl hij de tandem tegen de paal en voor de zekerheid toch maar op slot zet begint zij alvast bozig richting strand te benen. Dat peerachtige silhouet kent hij al vierentwintig jaar. Het met een touwtje onder de kin vastgeknoopte windhoedje is van recenter datum. Hij besluit haar een voorsprong te gunnen, en ervaart dan heel even de eenzaamheid die hij hier zoekt. Een paar dagen vergeten dat zijn baan volgend jaar niet meer bestaat. Ontspannen geblazen. Ontspannen Evert, zegt hij een paar keer hardop en is daar dan verwonderd over. Maar niemand die hem hoort, dus niemand die er om maalt. Zijn vrouw is inmiddels tussen zijn duim en wijsvinger ongeveer drie centimeter groot en hij begint haar voetstappen te volgen.
Al snel komt het grauwblauw van de zee tussen de duinen door schemeren. Daar is ze dan, de eeuwige Noordzee, met een kilometersbreed strand aan haar voeten. En toe maar, een wazig zonnetje wurmt zich door het grijze dek.
    Tijdens zijn afdaling naar het strand ziet hij hoe Mathilda iets opraapt van de waterlijn, en in haar verlengde, een booreiland. Dat was er vroeger nog niet. Het forse cluster windmolens daar links in zee ook niet. Kort sluit hij zijn ogen. Als hij ze opent is alles er nog. De zee, het brede strand, en zijn vrouw. De windmolens en het booreiland. En een auto die links zijn gezichtsveld inrijdt. Hij loopt verder het strand op en de terreinwagen komt in de verte voorbij. Terwijl hij op Mathilda afstevent verschijnt er een drietal nieuwe 4×4’s. Ditmaal passeren ze hem op een meter of tien. Er zitten gezinnen in, de kinderen achterin met schermgeknikte hoofdjes. Vanuit de achterste wagen wordt hij door een vrouw met een fluorfelle haarband loom toegewuifd. Zelf houdt hij de vuisten in de zakken. Nu pas merkt hij dat het strand over vrijwel de gehele breedte doorploegd is door bandensporen. Ondanks de venijnige kou begint hij te zweten.
    Een want met daarin een verweerde plastic Smurf opent zich voor hem. Echt iets voor haar om uitgerekend zoiets van een strand op te rapen. Met moeite onderdrukt hij de neiging haar hand van onderaf een schop te geven. In gedachten ziet hij de blauwe dwerg vliegen. ‘Zie je dat?’ vraagt hij haar. ‘Het lijkt hier godverdomme wel een snelweg! Zelfs hier!’ Samen kijken ze hoe een lichtblauw metallic 4×4 langs de branding scheert. Een zilte nevel daalt op hen neer. Ze kijkt hem geringschattend aan en hij weet wat ze gaat zeggen. Ze zegt: ‘Schreeuw toch niet zo. Mij lijkt het heerlijk. Zit je tenminste warm, met fijn de radio erbij aan. En je ziet nog es wat. Als we de wagen mee hadden genomen hadden wij dat ook gekund Evert. Maar jij, jij moest en zou zonodig zonder.’ Zonder een antwoord af te wachten draait ze zich om en begint terug naar de strandopgang te banjeren.

Een afdwaling

Toch zeker driehonderd meter lager ligt de haarspeldbocht als een omgekeerde U op hem te wachten. Negen van die kronkels is ie nu al voorbijgeaarzeld. Deze moet het worden. Hij remt abrupt en staart naar beneden, in de diepte. Tussen de kolkende woede daar jeukt een hardnekkige twijfel.
    Het dorp in zou ze, zei ze. Maar ondertussen natuurlijk weer bellen met die gesjeesde badmeester van d’r. Met zijn stierennek en zijn geoliede haren. En zij maar denken dat hij niks in de gaten heeft. Hij knijpt even hevig in zijn van hoogwaardig carbon vervaardigde stuur. Geef jij nog wel om mij?, heeft ze hem gevraagd. Of alleen maar om dat fucking fietsen van je? Hij vindt het flauwekul. Ja, hij steekt veel tijd in zijn passie. Bijna al zijn tijd, eigenlijk. Maar wat is er mooier dan fietsen, je fiets onderhouden en op vakantie de Tour na te fietsen? Het zijn toch elk jaar weer schitterende streken? Zoals hier, in de Rougonne. Voor haar zijn er volop boetiekjes vol vrouwenfrutsels. En wees eerlijk, na drieëntwintig jaar huwelijk is het toch al heel wat dat ie überhaupt nog ergens passie voor heeft. Nee, maar zij. Middenin zijn vakantie, en ze wèèt hoe belangrijk die voor hem is, vertelt ze hem dat het over is. Ze wil die zwembadkoning bij d’r in laten trekken. Met z’n begrip, z’n aandacht en zijn inlevingsvermogen. Of hij bij thuiskomst gelijk z’n biezen wil pakken. Welke biezen? Wielerwijsheid, een encyclopedische kennis van het cyclisme, dat heeft hij verzameld. Villa, wagens, lopende rekening en liggende gelden zijn van haar. Mag hij zeker bij zijn bejaarde ouders in Kaakhorn intrekken. In het schuurtje slapen, wordt dat. Dat nooit. Maar dit, dit is wel erg definitief.
    Zijn afscheidsbrief geeft de doorslag. Dat met theatrale hanenpoten volgekraste A4-tje. Het ligt op de keukentafel van hun vakantiehuisje vol verwijten op haar terugkeer te wachten. Wat moet ie dan? Schat, het was een grap, ha ha? Er is geen weg terug, zoveel is duidelijk.
    Met een vormelijk gebaar neemt hij zijn helm af en werpt die in het struikgewas. Daarna draait hij de schoenplaatjes onder zijn schoenen vandaan. Controleert de batterij van zijn telefoon en steekt die terug in het zakje op zijn rug. Neemt een reuzeslok Chateau Lagrave uit zijn bidon en gooit die in dezelfde richting als zijn helm.
De laatste auto reed hem een kwartier geleden voorbij. Hij luistert ingespannen. Alleen het gekwetter van bergsnip en kogelwiek, of hoe ze allemaal ook mogen heten. Tijd voor zijn laatste ronde.
    Hij zet aan en schakelt razendsnel door de versnellingen. Zo hard als dit is ie nog nooit afgedaald. De afzetting komt hem in noodtempo tegemoet. Een gietijzeren railing in potige betonblokken verzonken. Nou niet wèèr halverwege in de remmen en het stuur naar links. Nee, voluit door en recht in de bodem van die omgekeerde U mikken. Secondes voordat ie het blok raakt laat hij zijn stuur los, gaat op de pedalen staan en spreidt zijn armen. Een rotklap. De fiets blijft grotesk verbogen achter, hijzelf snijdt hoog door de lucht. Even lijkt zijn snelheid groot genoeg om als een zweefvlieger zonder vlieger verder te glijden. Maar dan grijpt de zwaartekracht zijn lijf en trekt het naar beneden. Waar hij de dood verwacht vindt hij een potige spar. In een reflex grijpt hij in het geboomte en krijgt warempel grip. Takken en bladeren slaan hem en schuren hem rauw maar zijn val komt tot stilstand. De boomtop die hem gevangen heeft zwiept wild heen en terug en vindt dan weer zijn balans.
Met witte knokkels omklemt hij de schriele stam, zijn voeten trillend op een zijtak. Voorzichtig monstert hij de schade. Broek en shirt gescheurd en overal schaafwonden, maar het lijf lijkt intact. Om hem heen een vale vlakte en hoog boven hem de Col, waar Sancho Mitrita een maand geleden nog een kansloze ontsnapping waagde.
    Hij kàn zich nog uit de boom storten natuurlijk. Beneden zich ziet ie talloze takken en daaronder de rotsige bodem. Zul je zien dat hij zich alsnog een dwarslaesie valt. Hij is uit zijn zweefduik in de enige boom in de omtrek gevallen. Had ie het zo gewild, was het hem niet gelukt. Met een kakelvers aanvoelende voorzichtigheid begint hij tak voor tak de woudreus af te dalen.