Brief aan Frans

Hallo Frans!
Dat vind jij waarschijnlijk nogal informeel, maar tot voor kort kende ik alleen je voornaam. Mijn naam weet je niet, laat staan de identiteit die ik dezer dagen gebruik. Nee Frans, jij weet niet wie ik ben. En dat houden we ook zo.

    Vorige week dinsdag, om 08:12, zag ik hoe je met je fiets de kruising van de Oude Gracht en de Zuiderstraat overstak. Eindelijk was je daar. Je bleek weinig veranderd. Ook als man van middelbare leeftijd ben je gemakkelijk te herkennen. Je hebt nog steeds die peper-en-zout krullenbol, inmiddels met wat grijs erdoor. En daaronder nog steeds die rattenkop met die heen en weer schietende priemoogjes. Je hebt nog steeds, laten we wel wezen, een rotkop. De welvaart is je aan te zien. Je oogt als iemand die zich bezig houdt met het heen en weer schuiven van geld, dacht ik toen. Mergers and acquisitions, trustfunds, die hoek. Mijn geluk was dat je een lullig jutetasje bij je droeg met daarop het gemeentelogo van deze stad. Na enig onderzoek bleek dat die onderdeel was van het kerstpakket dat jullie ambtenaren afgelopen jaar ontvingen. Dat je daar hoofd van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht bent was daarna gemakkelijk te achterhalen. Ik denk dat het een beetje symboolpolitiek van je is, Frans, om je met dat lullige tasje te vertonen. Want verder heb je een verdomd dure smaak.

    Grappig dat we weer in dezelfde regio wonen. Dat deden we ook toen we op dezelfde middelbare school zaten. Niet dat we daar met elkaar omgingen. Ik wist welke naam bij je gezicht hoorde. En ik had een vaag besef dat je hoorde bij wat in die tijd de kakkers werden genoemd. Toch ben ik je nooit vergeten.
Kijk, ik was, totdat ik een keer bleef zitten in twee Atheneum, een jonge leerling. Elf was ik, toen ik in de brugklas terechtkwam. En klein. Een klein jochie met scheve paardentanden, sproetjes en een grote bril. Je zou me nu moeten zien. Zou, en gaat.

    Het was een hele overgang naar de “grote school”. Bijna 1500 leerlingen waren er toen, weet je nog. Een leerfabriek. Een terrein met grofkluitige gebouwen, en vooral veel en grotere kinderen. Het stevig pesten van de brugsmurfen door de ouderen was toen een serieus in ere gehouden traditie. Dan werd je tas es ondersteboven gekeerd. Of tijdens het fietsen van je bagagedrager getrapt. Dat soort dingen. Jij echter, Frans, gaf een heel eigen invulling aan deze traditie.

    De kantine was niet groot genoeg, dus in de pauzes liepen wij, leerjaren 1 tot en met 3, met brooddoos in de hand doelloos rondjes over het terrein van de school.
Op een middag, ergens tussen de al decennia meegaande noodlokalen, slenterden wij (wie er naast mij bij wij hoorde ben ik vergeten) een al net zo vergeten gezelschap waar jij deel van uitmaakte tegemoet. Jullie waren derdeklassers. Toen wij elkaar eenmaal genoeg waren genaderd, schraapte jij je keel en spoog een royale rochel in mijn gezicht. Terwijl je speeksel over mijn bril en lippen droop hoorde ik je kakelende lachje achter me. En dat was dat.

    Er gebeuren ergere dingen, zeker. Toch heb ik het idee dat iemand die het een goed idee vindt een knulletje die een kop kleiner dan hem is zonder aanleiding es lekker in het gezicht te spugen later in zijn leven dingen in het verlengde daarvan doet.
De bottom line is dit Frans. Jij hebt nog een rekening bij me open staan. Jij hebt nog een fikse rochel van mij tegoed. En dan kan jij natuurlijk vinden dat dat kinderachtig is. Water onder de brug. Vergeten en vergeven. Een kwajongensstreek. Je deed dat in die tijd veel vaker, mensen in hun gezicht spugen. Niks persoonlijks. Ik ben dat niet met je eens. Dit is iets wat plaats gaat vinden, linksom of rechtsom. Het kan bijvoorbeeld vlak voordat je ’s ochtends in je Audi A6 Saloon stapt, daar aan de Heemsteedse Dreef. Of op donderdagavond, als je je dochter Annelot van hockey ophaalt. Ze heeft de krullen van haar vader zag ik. Gelukkig niet zijn gezicht.

    Ik heb een beter plan Frans. Zaterdagmiddag ga je altijd golfen met je vrinden van de Haarlemmermeersche Golfclub. Deze zaterdag zal je helaas voor een keer verlet moeten geven. Om 14:00 sta jij namelijk op de kruising van het Verwulft en en de Grote Houtstraat. Je draagt die lange rode Tenson jas. Ook als het warm is. Je draagt geen hoofd- of gezichtsbedekkingen. Om 14:01 begin je rustig in de richting van de Grote Markt te lopen, je houdt daarbij de rechterzijde van de straat aan. Ergens onderweg kom je mij tegen. Ik streef ernaar om net als jij indertijd, achteloos, vanuit de loop, je gelaat te bespugen.
Probeer dus niet op het laatste moment uit te wijken, of met je handen af te weren. Graag hou ik het leuk Frans, maar in dat geval zal ik een meer hands-on tactiek moeten hanteren. Na afloop vervolg je rustig je weg, en bij de Grote Markt loop je door, de Barteljorisstraat in. Wat je daarna doet zal me, even plat gezegd, aan mijn reet roesten.
Ik ben een man van principes, en na onze ontmoeting is deze zaak wat mij betreft uit de wereld.

    Mij lijkt het evident dat je, als je even rustig nadenkt, met me eens zal zijn dat dit voor ons allebei het beste is. Ik denk zelfs dat het na afloop voor jou als een opluchting zal voelen. Aan de andere kant ken ik je een beetje, en heb ik je de afgelopen dagen ook beter leren kennen. Je lijkt me iemand die bijvoorbeeld de politie in zou willen schakelen. Die derden in de Grote Hout zou willen opstellen. Of die denkt dat hij ermee weg kan komen door zaterdag überhaupt niet te verschijnen.

    Nou ken ik ook derden. Derden waar jij zeer zeker niets mee te maken wilt krijgen. Maar ik vermoed dat het voor jou overtuigender is als ik, bijvoorbeeld, je fraudezaak met die asbestverwijdering even aanstip. Gaat om een heleboel mensen die nu in huizen wonen waarin het asbest maar heel gebrekkig uit verwijderd is. Omdat jij in het geniep regelde dat het door vriendjes van je werd gedaan hè. Niet zo goed voor je als dat in de openbaarheid komt. Bijgevoegd vind je kopieën van een paar sleutelpassages uit het betreffende dossier. Dat kan ik met één klik naar het Dagblad hier verzenden. Je woont en leeft erg goed voor een ambtenaar. Houwen zo, toch?

Wees verstandig Frans. Tot zaterdag.

Vaainemiddôh

Spraakverbijstering

Veel langer dan een minuut ben ik niet in deze supermarkt. Bij de kassa leg ik een tonijnslaatje en twee Spelttwisters kaas op de band.
De kassier van dienst is een stuurse, met acne bedekte jongeling. Hij heeft ringetjes in beide oren en een kapsel waar ik te oud voor ben om het te begrijpen.

De Spelttwisters kaas, een impulsaankoop van heb ik jou daar, zijn samen in de bonus. Ik heb geen bonuskaart.
Eens stond ik in de rij in de Albert Heijn achter een dame. Toen de kassière haar vroeg of ze een bonuskaart had antwoordde ze achteloos: ‘Die heb ik nu niet bij me. Mag ik die van jou gebruiken?’ Dat bleek een acceptabel antwoord en sindsdien gebruik ik een variant hierop als ik in een AH ben.

‘Mag ik jouw bonuskaart gebruiken?’ vraag ik hem, terwijl hij mijn boodschapjes scant. Hij knikt voordat ik het tweede gedeelte van mijn zin heb afgemaakt. ‘want die zit namelijk in een andere jas’. Hij noemt het bedrag, ik pin en zie de tekst ‘akkoord’ op het display verschijnen. Nu gaat ie vragen of ik het bonnetje wil. Vaak zeg ik al behulpvol ‘Laat de bon maar zitten hoor’ maar dit keer ben ik nog doende met het in mijn tas frommelen van de lekkernijen. In plaats daarvan informeert hij, schijnbaar zonder veel interesse in mijn antwoord: ‘Vaainemiddôh?’

Mijn hoofd geeft een foutmelding. Dit is duidelijk niet vragen of ik een bon wil. Maar wat is het wel? Misschien kun je hier wel voor een pannenset sparen of is dit de naam van een aktie waar ik niet van weet. Zo vaak kom ik niet in de Albert Heijn. Ik kan zonder begrijpen ‘Nee, dankjewel’ antwoorden, maar dat vind ik onbeleefd.

‘Sorry, wat zei je?’
‘Vaainemiddôh?’, herhaalt hij, al een tikje ongeduldig.
Zo komen we niet verder. ‘Ik versta je echt niet!’ moet ik toegeven.
‘Vaainemiddôh!!’ herhaalt hij nogmaals ferm. Een gefrustreerde frons verschijnt op zijn geteisterde voorhoofd. Onze interactie duurt alweer veel te lang, zoveel is duidelijk.
Ik zoek de blik van de dame die achter mij wacht en maak een gebaar van snap jij het?
‘Fijne middag’ articuleert ze kraakhelder, op de toon die je gebruikt voor een wat achterop geraakt kind.
‘Jaaha’, bevestigt de kassier verontwaardigd. ‘Faine middog!’
Daar heb ik niet van terug.

‘Het eh, het komt door je accent denk ik’, wrijf ik de vlek nog wat groter. ‘Maar in dat geval: jij ook een hele fijne middôh!’

OV Kaart Verdekt Opgesteld

Tag een vriend

Kneu heeft me getagd. Er komt een reünie van de kunstacademie die ik ooit bezocht. Het belooft heel wat te worden, Sijsje komt er zelfs helemaal voor uit Berlijn. Ik stel me voor dat langnietgeziene mensen uit alle hoeken en gaten zullen opduiken.
Later gooit Kneu er nog een appje achteraan. Kom nou joh!
Tja. Meestal schitter ik door afwezigheid, laat mij nu es een keer ja zeggen. Icoontjes van slingers en ballonnen zijn mijn deel.

Op een mooie zomeravond, vier dagen later, zeg ik mijn gastvrouw en -heer van vannacht gedag. Met een stevige pasta in de maag en dub techno in de oordoppen fiets ik de buitenwijk uit. Het festijn is al om 4 begonnen, dus ik verwacht fashionably late aan te komen.

Kneu stuurt een berichtje dat zij en Sijsje iets zijn gaan eten in de stad maar er zo aan komen. Om nog wat tijd te rekken strijk ik neer op een stadsbankje en aanschouw het passerende verkeer. Ik zou hier nog uren kunnen blijven zitten maar dwing mezelf in beweging.

Vòòr het pand staat een tiental mensen waarvan ik er een paar herken als gezichten van toen. Geen bekenden. Naar binnen maar. De hal is leeg.

Ik betaal 5 euro, geef jas en hoody af en loop de ruimte binnen. Er hebben zich ongeveer 15 mensen verzameld. Op een verhoginkje draait een jongen jaren negentig hitjes. Aan touwen opgehangen foto’s sieren de wanden. Foto’s van het introductieweekend. Ik was er niet bij. Foto’s gemaakt in de academie, tijdens lessen en feesten. Ik sta er niet op. Hier binnen zijn ook geen vrienden of bekenden van toen.

Oh wacht, daar is Buizerd. Daar heb ik geloof ik wel es een biertje mee gedronken in de Spiegel. Hoi, zegt hij in het voorbijgaan. Hey, antwoord ik.
Dan maar iets te drinken gehaald. De bar blijkt onbemand.

Ik ben hier in ongeveer 3,5 uur naartoe gereisd.

Ongeduldig stuur ik een appje naar Kneu die belooft er snel aan te komen.
Ooit was dit een moment om een sjekkie te draaien. Nu ga ik op het lege podium zitten, en breng telefonisch verslag uit aan vriend Tureluur. Hij had geen zin om te komen en lijkt het gelijk aan zijn kant te gaan krijgen. Hij voelt mijn pijn. Daarna spreek ik Grutto, zijn vrouw, die hier had kunnen zijn maar ook de voorkeur gaf aan een avondje thuis. Tijdens het gesprek arriveren eindelijk Kneu en Sijsje.

Met Kneu heb ik nog steeds contact, maar Sijsje heb ik in geen jaren gezien. Ze lijkt oprecht blij me te zien en komt dicht tegen me aan zitten. Haar Nederlands is absurd goed voor iemand die het nooit meer spreekt. Of ze nog wel es tekent, vraag ik haar. Verkeerde vraag. Dat doet ze niet meer. De lol is er op de academie helemaal afgegaan en nooit meer teruggekomen. Het gezin vraagt aandacht, en het werk in de boekenbranche. Waarmee het trouwens niet zo florissant gaat. En het leven in Berlijn wordt duurder en duurder. Ze is getrouwd met de Duitse vriend die ze in haar academietijd al had. Wist ik niet eens. Eigenlijk had ze indertijd een Nederlands vriendje moeten hebben, voor de hele Holland experience, zegt ze.

Oud-docent Eend spreekt ons aan, net als toen met consumptie. De helft van de leerlingen komt tegenwoordig uit het buitenland, meldt hij, dus wordt er in het Engels onderwijs gegeven. Hij vertelt vol trots over een oud-leerling, die absurd succesvol in het buitenland is. Ik ken hem niet.

Het bier smaakt me niet. Het zal toch geen Oranjeboom wezen?

Eén van de organisatoren, die ik niet ken, houdt een soort van toespraak op het podium. Hij heeft het over een wij waar ik mij geen onderdeel van voel. ‘Eén van de mensen die natuurlijk een centrale rol speelde op onze academie, wie kent hem niet. We hebben hem uiteindelijk weten te traceren, en ja hoor, hij is hier vanavond, Zeemeeuw!!’
Jeuh, klinkt het lauwwarm uit de zaal. Ik klap zachtjes tussen de knokkels van mijn hand. Zeemeeuw beheerde de kantine. Nu heeft hij een grijze mat. Ik zal gesprekken als ‘Dat is dan één gulden vijfenzeventig’ ‘Alsjeblieft’ ‘Heb je niet kleiner’ ‘Nee’ met hem gevoerd moeten hebben.

Ik memoreer namen van mensen waarvan ik het leuk had gevonden als ze hier vanavond geweest waren. Kneu vindt me negatief. Ik kijk op mijn horloge.

Gaandeweg raakt de ruimte gevuld met mannen en vrouwen van middelbare leeftijd. Ik spreek Mus, een Duitse dame die ik in die tijd een beetje kende. Ze zingt thans in een koor. Laatst speelden ze samen met een koor uit mijn huidige woonplaats. Dat ken ik niet. Een vriend van haar van toen, die ik niet ken, komt haar een boekje geven. Hij heeft een nare ziekte gehad. Het boekje gaat over zijn nare jeugd.

Hee, daar is Valk. Zij lijkt ook blij mij te zien. We wisselen wat onbenulligheden uit. Dan moet ze bier halen voor haar vrienden, die ik niet ken.

Kneu en Sijsje gaan dansen. Ik niet, om te beginnen omdat ik de muziek niet leuk vind. Hard, staat die nu.

Ik zit alleen aan de bar. En zie iemand die lijkt op een graffitischrijver waar ik vroeger mee omging. Hoe zou het met hem gaan? Het is hem niet.

Kneu is nog steeds de enige klasgenoot die hier is.

Ik heb vier bier op en het doet niks voor me. Doordrinken totdat ik het leuk begin te vinden was vroeger.

De laatste keer hier was negentien jaar geleden. Er was een feest voor mensen die hadden meegewerkt aan activiteiten rond het 200-jarig bestaan van de academie. Daar was ik één van. Er was gratis drank, en tafels vol salades en stokbrood. Onder invloed van het eerste vond er in de loop van de nacht een food fight plaats met het tweede. Iemand had natuurlijk weer een dikke stift meegenomen en die werd gebruikt ook.

Na van een drietal mensen afscheid genomen te hebben ga ik mijn jas halen. Ik vergeet bijna mijn hoody en maak hier een grap over tegen de jongen van de garderobe. Is het mijn eerste van de avond? Het voelt zo.

Even later fiets ik door de binnenstad, en proef een verwachtingsvolle zomernacht. Op het Waagplein staat een podium. Een band beëindigt er net een lied. Misschien is het wat. Ik stuur richting podium en luister. De band zet een nummer in wat ik niet ken. Het is een kutnummer. Ik vervolg mijn weg, de eenzaamheid als een spuugbelletje om me heen.

Zodra ik de Parkweg achter me heb gelaten moet ik goed opletten waar ik naartoe moet. Ik ken het hier niet.

Uitgewaaid, ingeblikt (3)

De regen is ook vanochtend royaal voorhanden en klettert scheutig tegen de ruiten van de taxi. Achterin tuurt Mathilda stuurs naar het scherm van haar telefoon. Evert zit naast de chauffeur, een zwijgzame Pool die zijn bejaarde Benz vult met de rook van ongefilterde sigaretten en herkenbare hits. Zijn hoofd bonkt als een kapotte wasmachine en hij moet hard slikken om het naar boven kruipende kruidenbitter terug zijn slokdarm in te duwen. Een ander restant van gisteren: zijn meesterplan. In het daze daglicht is duidelijk dat dat met plakband en paperclips aan elkaar hangt, terwijl het hem afgelopen nacht nog waterdicht, ja, onverslaanbaar toescheen. Toch zal hij het uit gaan voeren al was het maar omdat het voelt als het enige wat hem nog rest. Hij bekijkt het strijdtoneel. Links de uitgestrekte polders, de meeste bebouwing ligt ter rechterzijde. Parallel daarachter weet hij, langs de duinrand, het zandpad met het fietspad ernaast. Dat wordt de terugweg. Grimmig constateert hij dat er veel staan, op de erven.
    Regenvlagen gieren over het plein aan de voet van de vuurtoren. Gebruikt verpakkingsmateriaal warrelt door winkelstraatjes waar ijlings koopwaar naar binnen wordt gehaald. Dezelfde winkels als overal. Hier kan Mathilda op jacht naar figuurverhullende gewaden. Thuis hangen haar garderobekasten er vol mee. Tijd voor de vraag. Van haar antwoord hangt veel, zo niet alles af. Hij besluit voor de gelegenheid een halfvergeten koosnaampje uit hun goede tijd af te stoffen. ‘Pareltje. Als wij nou eens ieder ons weegs gaan. Kun jij fijn de tijd nemen in de boetiekjes en ga ik ondertussen rustig naar, eh, mijn dingen kijken.’ Hij vindt haar te oud voor het trekken van een pruillip. Doordrukken nu. ‘Laten we over anderhalf uur weer bij elkaar komen in de Gekroonde Kabeljauw.’ Hij wijst naar een eeuwenoud ogende pand op de hoek van het plein. ‘Drinken we daar iets warms.’ Snel haalt hij twee voor dit moment bewaarde bankbiljetten uit zijn achterzak en laat ze in de wind wapperen. ‘Hier heb je een kleine bijdrage.’
Ze kijkt hem secondenlang doordringend aan, grijpt het geld en knijpt hem dan hard maar teder in de wang. ‘Malle man. Tot zo dan maar.’ Hij kijkt haar net zolang na tot ze uit beeld is verdwenen en slaat dan de omgekeerde richting in.

    ‘U zoekt een mes?
‘Jazeker, inderdaad.’
‘Waarvoor wenst u het te gebruiken?’
‘Eh, voor mijn zoon.’
‘Pardon?’
‘Mijn zoon. Die wil, wenst een mes voor zijn verjaardag.’
‘Kijk aan! Wat dacht u dan van het klassieke Zwitserse legerzakmes? Ik heb ze van 5 tot 35 gereedschappen. Deze hier heeft bijvoorbeeld zelfs een usb-stick.’
‘Ik dacht meer aan.. hij wil denk ik liever zoiets.’
‘Aha, de Dominator Power Cleaver. Dat is een flink mes. Kun je een ree mee uitbenen. En dan spreek ik uit ervaring.’
‘Die wil ik graag kopen. Voor mijn zoon.’
‘Hoe oud is uw zoon?’
‘Die is eh… Die is een jaar of 16.’
‘Een jaar of 16 zegt u, kijk aan. Punt is, deze Dominator heeft een dubbelzijdig lemmet van meer dan 10 centimeter. Véél meer, zelfs. Mag de jongeman niet mee over straat hè. Ik zou me als ik u was toch liever richten op het materiaal van de firma Victorinox.’

    Ziezo, het borreltje is welverdiend. Ruim op tijd zit hij klaar in de behaaglijke gelagkamer van de Kabeljauw. Alles wat hij nodig heeft in de pocket, in de tas onder tafel. Een donkerblauwe kapiteinspet met goudgestikt ankertje, een zak watten, karton, elastiekjes, een plakstift en een zonnebril. En natuurlijk het Zwitsers legerzakmes. Het is er uiteindelijk één geworden met 35 gereedschappen. Een smak geld voor een aanstaand werkzoekende maar na zijn tweede borreltje voelt hij vooral triomf en hij grijnst Mathilda dan ook breed toe als zij met twee handen vol tassen de gelagkamer binnenstapt.

Strand 2

Uitgewaaid, ingeblikt (2)

Om 3:17 wordt hij wakker met een gonzend hoofd vol woeste gedachten. Gewekt door een reutelend fluitje dat van ergens tussen Mathilda’s neusvleugels opstijgt. Mathilda, die haar hoofd op een kussen kan leggen en dan vertrokken is, nog hooguit wakker te krijgen door een krachtig onweer. Mathilda, die jaar op jaar in de zomervakantie een last minute reis boekt. De bestemming is zonder uitzondering: de zon, maakt niet uit waar die schijnt. Steevast een felle rotzon, die hem de messcherpe schaduw in dwingt. En ook al verschillen de landen die ze bezoeken, de resorts waar hij de veertien dagen vertier moet aftellen zijn allemaal hetzelfde. Op de plek van pittoreske vissersdorpjes neergesmeten Le Corbusier-achtige betonkolossen, een zwembad aan de voet, met uitzicht richting zee. Overdag is het baantjes trekken, bakken en braden. ’s Avonds felgekleurde drankjes en dansgelegenheid op hits van toen. En altijd zijn er Hollanders, hordes Hollanders. Mathilda is dan in no time zò met de vrouwen maar hij treft er tussen de mannen geen zielsverwant. Iemand die òòk interesse toont in de plaatselijke gebruiken. Of desnoods in het oplossen van cryptogrammen. Achter de rijen flats vermoedt hij onbedorven, op ontdekking wachtende binnenlanden, maar zij wil er niet van weten. En alleen erop af is eng.
Hij draait zich maar weer om, de natgezwete dekens draaien met hem mee.
    Als de rode cijfers van de wekkerradio 04:00 aangeven staat ie rillend op. Zijn koortsige kop vervloekend trekt hij een fles kruidenbitter uit de koelkast en laat zich in het zitmeubel in de woonkamer/keukencombi zakken. Op de bijzettafel staat Strandsmurf pontificaal opgesteld. Regen slaat lafjes tegen de ruiten en pitterpettert op het tinnen dak. De gordijnen zijn open maar geven niets te zien. Daar is ie dan. Op het eiland van zijn jeugd. Het eiland van kuilen graven, klompendansen en puzzeltochten. En van dat Brabantse meisje met haar pronte kont. Hij is er. De laptop thuisgelaten en de telefoon uitgezet. Maar het is helemaal mis. Nog maar een glas. Alles is nieuw nu, en slechter dan voorheen. Een romantiekloze overtocht met een spiksplinterse draadvleugelboot. Een grote gele M die boven het havenstadje hangt. Kolossale flats aan de rand daarvan, waar eerst de speeltuin was. Dan het park. In zijn kindsdagen verbleef het gezin hier in eenvoudige huisjes, volgens lokaal gebruik gebaksteend. Nu schurken ze tegen een honderdtal buren in een grid van kunststof recreatiecassettes. Booreiland. Windmolenpark.
Hij schenkt maar weer uit, onder andere in zijn glas. Wat zijn slapen doet kloppen en zijn kaken laat verstrakken zijn de zombies die het strand verstrepen. Het hele jaar volgen ze elkaar in eindeloze files, en hier, uitgerekend hier blijven ze ingeblikt en scheuren ze zijn rust aan stukken. Als hij zijn ogen sluit trekken de gevaartes in ellenlange rijen aan hem voorbij. Het is alsof er een contactje doorbrandt in zijn hoofd. Moedeloos brengt hij de fles naar zijn mond. Prik mij maar lek, riep ome Fedde in zo’n geval. Hij zegt het nu ook, hardop. De hand met de fles daalt, de andere komt omhoog en bedekt zijn mond. Daarachter verschijnt een scheef lachje.

Uitgewaaid, ingeblikt (1)

Haar bezwaar tegen deze onderneming heeft ze met krachtige slagen met de vlakke hand op het tafelblad kracht bijgezet. Niet! in de herfstvakantie. Niet! naar een Waddeneiland. En al helemaal niet!! zonder de wagen mee te nemen. De theelepeltjes rinkelden erbij in de kopjes.
    Toch zit ze deze oktoberochtend bij Evert achterop de huurtandem. Halfhartig meetrappend, een verbeten trek om de lippen, maar ze zit er. Dat heeft hem veel geduld en moeilijk waar te maken beloftes gekost, maar het moet, zal en gaat het waard zijn. Als om deze bewering te bevestigen snuift hij de koude zeelucht diep in en kijkt hij eens goed om zich heen. Hier reed hij vroeger, in het zitje voorop bij Moeder. Het bewust slecht onderhouden fietspad is nog steeds de enige manier waarop je toegang krijgt tot dit deel van het eiland. Lage begroeiing tot zover zijn oog reikt. De namen van de plaatselijke flora en fauna kent hij niet, hem gaat het meer om het geheel. Nou ja, die meeuwen haalt ie er nog wel uit. Hun gekrijs klinkt hem hier een stuk aangenamer in de oren dan thuis in de wijk. En dan die rust. Wat een rust. Daar is het hem om te doen. Uitwaaien.
    Of het nog ver is, haalt haar snerpige stem hem uit zijn overpeinzingen. Zeker niet, want kijk! daar is de houten paal met de verweerde rode vlag al. Daar houdt het pad op, en dan kun je zo door de duinen heen het strand op lopen.
‘We zijn ter plekke, Mathilda. En geen kip te bekennen!’ Hij maakt er een wijdse armzwaai bij maar onder de indruk is ze allerminst. Terwijl hij de tandem tegen de paal en voor de zekerheid toch maar op slot zet begint zij alvast bozig richting strand te benen. Dat peerachtige silhouet kent hij al vierentwintig jaar. Het met een touwtje onder de kin vastgeknoopte windhoedje is van recenter datum. Hij besluit haar een voorsprong te gunnen, en ervaart dan heel even de eenzaamheid die hij hier zoekt. Een paar dagen vergeten dat zijn baan volgend jaar niet meer bestaat. Ontspannen geblazen. Ontspannen Evert, zegt hij een paar keer hardop en is daar dan verwonderd over. Maar niemand die hem hoort, dus niemand die er om maalt. Zijn vrouw is inmiddels tussen zijn duim en wijsvinger ongeveer drie centimeter groot en hij begint haar voetstappen te volgen.
Al snel komt het grauwblauw van de zee tussen de duinen door schemeren. Daar is ze dan, de eeuwige Noordzee, met een kilometersbreed strand aan haar voeten. En toe maar, een wazig zonnetje wurmt zich door het grijze dek.
    Tijdens zijn afdaling naar het strand ziet hij hoe Mathilda iets opraapt van de waterlijn, en in haar verlengde, een booreiland. Dat was er vroeger nog niet. Het forse cluster windmolens daar links in zee ook niet. Kort sluit hij zijn ogen. Als hij ze opent is alles er nog. De zee, het brede strand, en zijn vrouw. De windmolens en het booreiland. En een auto die links zijn gezichtsveld inrijdt. Hij loopt verder het strand op en de terreinwagen komt in de verte voorbij. Terwijl hij op Mathilda afstevent verschijnt er een drietal nieuwe 4×4’s. Ditmaal passeren ze hem op een meter of tien. Er zitten gezinnen in, de kinderen achterin met schermgeknikte hoofdjes. Vanuit de achterste wagen wordt hij door een vrouw met een fluorfelle haarband loom toegewuifd. Zelf houdt hij de vuisten in de zakken. Nu pas merkt hij dat het strand over vrijwel de gehele breedte doorploegd is door bandensporen. Ondanks de venijnige kou begint hij te zweten.
    Een want met daarin een verweerde plastic Smurf opent zich voor hem. Echt iets voor haar om uitgerekend zoiets van een strand op te rapen. Met moeite onderdrukt hij de neiging haar hand van onderaf een schop te geven. In gedachten ziet hij de blauwe dwerg vliegen. ‘Zie je dat?’ vraagt hij haar. ‘Het lijkt hier godverdomme wel een snelweg! Zelfs hier!’ Samen kijken ze hoe een lichtblauw metallic 4×4 langs de branding scheert. Een zilte nevel daalt op hen neer. Ze kijkt hem geringschattend aan en hij weet wat ze gaat zeggen. Ze zegt: ‘Schreeuw toch niet zo. Mij lijkt het heerlijk. Zit je tenminste warm, met fijn de radio erbij aan. En je ziet nog es wat. Als we de wagen mee hadden genomen hadden wij dat ook gekund Evert. Maar jij, jij moest en zou zonodig zonder.’ Zonder een antwoord af te wachten draait ze zich om en begint terug naar de strandopgang te banjeren.